De geschiedenis van Krzeszów begint in de tijd van de Piast dynastie in 1242 met een schenking van hertogin Anna, de weduwe van Hendrik de Vrome, die het jaar daarvoor gedood werd in de strijd van Legnica. Zij bracht Benedictijnen over uit Bohemen en haar schenking werd officieel erkend door paus Innocentius IV.

In 1289 kocht haar kleinzoon Bolko het goed en hij schonk het aan de Cisterciënzers van Henrykow in 1292. Volgens de traditie van de Cisterciënzers werd de kerk toegewijd aan O.L.Vrouw. Op dat ogenblik begon ook de verering van de icoon van O.L.Vrouw van Genade. Deze icoon is van Thurings – Saksische origine met traditioneel Byzantijnse elementen. Ze is een van de oudste afbeeldingen van O.L.Vrouw in Europa en zeker de oudste in Polen.

Abdij van Krzeszów

Tijdens een aanval van de Hussieten in 1426 werden 70 monniken vermoord en het klooster verwoest. De icoon van O.L.Vrouw werd door de monniken verstopt onder de vloer van de sacristie, uit vrees voor vernieling . Pas tijdens de restauratie van de abdij in 1622 werd de icoon teruggevonden. Op 18 december van dat jaar scheen het licht door de gebroken vensters op een bepaalde plek in de gebarsten vloertegels, de monniken verstonden dit teken op de juiste wijze en onder de tegels ontdekten zij de verborgen icoon. Dit feit wordt herdacht tijdens het feest van het Licht (Festum Lucis).

Krzeszów werd niet gespaard tijdens de 30 jarige oorlog. In 1633 woedde er een grote brand in de kerk en na de herstelling brandde ze opnieuw in 1677. Na deze tragische jaren kwam er een rustige periode. Schenkingen van hertogen, de toewijding van de monniken en een voorbeeldige organisatie brachten economische welvaart. Het prestige van de abdij werd groot en haar faam als een centrum van cultuur en kunst reikte ver buiten de grenzen van Silezië. De kunstenaars stroomden toe uit Bohemen, Beieren, Oostenrijk.
Het uitzicht van Krzeszów veranderde. In 1696 werd de bouw van de
vroegbarokke St Jozefs kerk beëindigd. Abt Roza liet 32 calvarie kapellen bouwen in de velden en bossen rond de abdij. Abt Fritsch bouwde de mooiste en grootste laatbarokke kerk in Neder-Silezië.

De aansluiting van Silezië bij Pruisen door Frederik de Grote veroorzaakte ernstige beperkingen in de klooster activiteiten en de bedevaarten. In 1810 werd onder het bestuur van Frederik Willem III het klooster gesloten en de Pruisische Staat werd eigenaar van de gebouwen. Pas in 1919 liet de bisschop van Wroclaw terug Benedictijnen uit Praag overkomen. Er werd opnieuw zorg gedragen voor de gebouwen en de Maria verering kwam terug op gang. Bij de aanvang van WO II installeerden de nazi’s hier een doorgangskamp en in 1941 kwamen de eerste joden aan voor de concentratiekampen.
Na de oorlog keerden de monniken terug voor zeer korte tijd, om in 1946 met de rest van de Duitse bevolking te vertrekken uit Silezië, zij werden vervangen door Poolse Benedictijner nonnen uit Lwow. In 1970 ging het beheer over naar Cisterciënzers van de abdij van Wachock.

In 1992 werd de diocese van Legnica opgericht, bisschop Tadeusz Rybak werd de nieuwe beschermheer van Krzeszów. Dank zij zijn nauwe samenwerking met de dienst voor Historische Monumenten in Jelenia Góra zijn de gebouwen thans in hun oude glorie hersteld.